Hét verzamelpunt van geologische bezienswaardigheden in Nederland

Locatie

Hijkermeer

In de Nederlandse bodem zit veel informatie verborgen over de ontstaangeschiedenis van ons land, de vroegere bewoning en allerlei natuurlijke veranderingen die plaats hebben gevonden. Geowetenschappers onderzoeken die ondergrond en proberen die verhalen te lezen door middel van allerlei verschillende analyses. In sedimenten van bijvoorbeeld meertjes zoals het Hijkermeer, een pingoruïne in Drenthe. Ook in oude riviergeulen zitten allerlei restjes van planten en dieren die iets vertellen over de omgeving waar zij in leefden (Figuur 1). Dat kunnen duidelijk herkenbare resten zijn, zoals oude boomstronken en botresten, maar meestal zijn het microscopisch kleine fragmentjes die het best bewaard blijven en ook een hoop informatie bevatten. Daarnaast is het sediment zelf, dus het slib, zand en klei in de bodem, een directe bron van informatie.

Informatie uit de bodem lezen

De uitdaging van de geowetenschapper is om al deze informatie op een rij te zetten en zo dit natuurlijke archief te lezen. Daarmee wordt de ontstaansgeschiedenis van een gebied gereconstrueerd, en leren we over vroegere veranderingen in het landschap, het klimaat en de invloed van de mens. Veel natuurlijke archieven worden ontsloten door een boring te zetten en de sedimenten die omhoogkomen te bestuderen. De boring is dan feitelijk van onder naar boven een weergave van de omgeving door de tijd heen. Met een veranderend milieu waarin het sediment wordt neergelegd verandert ook de samenstelling ervan. Sediment in een heel rustig milieu, zoals een meertje, is dan ook heel fijn en ziet er heel anders uit dan sediment in een stromende rivier waar alleen grove deeltjes bezinken.Van de bovenkant die recent is gevormd weten we dan meestal ook hoe oud deze is, maar hoe bepalen we dat voor de rest van de boorkern? Zonder ouderdomsbepaling kunnen we misschien wel informatie halen uit het materiaal, maar die kunnen we niet plaatsen in de tijd. Met andere woorden; we hebben dan een verhaal zonder kalender.

Dateren: de kalender van de bodem

We kunnen gelukkig een kalender, of tijdschaal maken voor onze sedimenten met behulp van dateringen. Dit waren vroeger alleen relatieve (dit stukje is ouder dan dat andere.. maar we weten niet hoeveel), maar vanaf ongeveer 1950 ook een absolute dateringen (dit stukje is zoveel jaar oud). De relatieve tijdschaal is vaak al heel waardevol en is gebaseerd op veranderingen in het type dieren en planten die voorkomen in een gebied. Dit geldt zowel op hele lange tijdschalen (miljoenen jaren) als relatief korte (honderden tot duizenden jaren). Figuur 2 laat de onwikkeling van de vegetatie zien gedurende de periode na de laatste IJstijd. Deze is gebaseerd op stuifmeel dat bewaard is gebleven in het sediment en door onderzoekers goed herkend kan worden. Er is duidelijk te zien dat de vegetatie verandert door de tijd en in verschillende periodes andere planten domineren. Dit patroon is heel herkenbaar en levert naast een hoop informatie over de vroegere leefomgeving en het klimaat ook een relatieve tijdschaal op.

De vegetatieontwikkeling is dan ook ingedeeld in periodes met elk een eigen naam (de stratigrafie). Hieruit leren we dat er bijvoorbeeld een relatief warme periode of klimaatoptimum was tijdens het Atlanticum.

Koolstof

Maar hoe oud is dit Atlanticum nu precies? Of wanneer is een bepaalde riviergeul onstaan, en wanneer begon de mens het landschap te veranderen? Met behulp van koolstofdateringen kan dat direct gemeten worden aan restjes organisch materiaal van planten en dieren die we vinden in de sedimenten. Radioactief koolstof wordt continu aangemaakt in de atmosfeer door de werking van kosmische straling. Dit radioactief koolstof (genoteerd als 14C) wordt samen met ‘normale' koolstofmoleculen opgenomen door planten en vastgelegd in weefsels, en uiteindelijk ook in dieren die dit weer opeten. Als de plant of dier doodgaat stopt ook de opname van koolstof.

Radioactief verval

Het radioactieve verval gaat echter verder. Elke 5730 jaar halveert de hoeveelheid radioactief koolstof. De verhouding van normaal en radioactief koolstof in organische restjes kan gemeten worden (de 14C-methode) en geeft zo een indicatie van de ouderdom van het materiaal. De beginhoeveelheid 14C verandert echter ook door de variaties in de hoeveelheid kosmische straling, en daar moet voor gecorrigeerd worden met een onafhankelijke kalender op basis van boomringen (Figuur 3). Na deze zogenoemde "kalibratie" kan een datering met een onzekerheid van ongeveer +/- 50 jaar worden bereikt. Zo is bepaald dat bijvoorbeeld de Bronstijd in Nederland van ca. 3000 tot 800 v. Chr heeft geduurd, en dat er 20 duizend jaar geleden een kale koude toendra was in ons land! Bij hele oude monsters is de hoeveelheid radioactief koolstof echter zo klein geworden dat hij onmeetbaar wordt. Een ouderdom van ongeveer 50 duizend jaar is dan ook de praktische bovengrens van deze dateringsmethode.

 

zie ook: Koeweide, Uddelermeer en Wormdal

Voor meer achtergrondinformatie: http://dinoloket.nitg.tno.nl/simClimate/simGebieden.html   

Adresgegevens

Deze Geologische locatie heeft geen adresgegevens

Google Maps
Route beschrijving

Neem afslag 30, Beilen, op de A28, sla vervolgens linksaf op de Domoweg en bij de rotonde rechtsaf. Blijf deze weg ongeveer 3 kilometer volgen en sla dan linksaf de Rietakkersweg op. Ga vervolgens na 1 kilometer weer linksaf de Middenlinie op, het Hijkermeer is vervolgens aan uw rechterhand.